vrijdag 4 september 2009

Niet voor iederéén

Backpackers in India, Deel 2

Dit is een reactie op het artikel 'Naar India met een rugzak: Volgers van het Boek' van Robert van de Griend, gepubliceerd in Vrij Nederland (nr.33) op 15 augustus 2009. Het artikel van Van de Griend vormde een toelichting op het fotodocument 'Backpackers in India' van fotograaf Jörg Brüggemann.

In de Vrij Nederland van 15 augustus 2009 stond een artikel over backpackers in India. Geschreven naar aanleiding van een fotoserie over hetzelfde onderwerp deed de auteur daarin zijn relaas over de lezers van de populaire reisgids Lonely Planet. De fotograaf was voor zijn afstudeerproject uit 2008 langs 'vermaarde backpackerhotspots in India, Thailand en Laos' gereisd en had de mensen die hij er tegenkwam vastgelegd. Bijna allemaal waren het slungelige jongens en meisjes met lang haar in een knotje, Indische prints op hun t-shirt en afgetrapte sandalen.
De foto's zijn goed, het artikel niet. De toon van de auteur is bitter wanneer hij schrijft: "Zie de tevreden glimlach op de gezichten van de jongen en het meisje. Kort geleden leidden ze nog een vluchtig bestaan in het materialistische Westen, nu zijn ze in India, zitten ze in resaurantje langs de heilige Ganges waar ook de locals komen, en eten ze dal met hun handen." Het snerende druipt ervan af, geen goed woord heeft hij over voor de jongen en het meisje die elkaar verliefd aankijken door hun brilleglazen en zich van geen enkel kwaad bewust lijken te zijn. Een Lonely Planet, de bron van de alle frustratie, is overigens nergens te zien.

Verpest
Het wordt erger. "Zie ook hoe blij de jongen in het rode T-shirt kijkt, als hij tijdens een bezoek aan de indrukwekkende ruines van Hampi in gesprek raakt met de plaatselijke bevolking." Ik bekijk de foto. Een zandweg, volgens het onderschrift inderdaad vlakbij de beroemde tempel. Een jongen in helderrood shirt, witte driekwartbroek en gympen en met een rugzakje om de schouder passeert een Indiase vrouw in gele sarong met een kind aan de hand. De jongen heeft een baard van een paar dagen en een rode neus en kijkt lachend om naar de vrouw, die de wenkbrauwen fronst en een mondhoek omhoog trekt in een soort van zure glimlach. Het lijkt er inderdaad op dat ze niets van hem moet weten.
De jongen met zijn rode shirt en dito neus is de typische naïeve toerist, op zoek naar alles en wetend van niets. Hij wil niets liever dan contact maken met de mensen om hem heen, maar hij spreekt geen Hindi en de vrouw in de gele sarong doet alsof ze geen Engels verstaat. Voor de auteur is de vrouw als local authentiek en daarmee onaantastbaar. Maar de jongen in het rode shirt wordt verondersteld volledig te zijn verpest door de cultuur van commercie waar hij vandaan komt en die hem ook tijdens deze reis als een stinkende, moordende walm omringt. Zijn poging om contact te maken met de vrouw is verachtelijk, want hij denkt zonder twijfel alleen aan zijn eigen verrijking en niet aan die van haar. Zijn bedoeling kan niet integer zijn, want hij is de nieuwe kolonist, de cultuurkapitalist, de backpacker. En 'die backpackers', zo vindt de auteur, moet je als de pest proberen te mijden.

Nescafé
Ik geef de auteur geen ongelijk in zijn scepsis ten opzichte van toeristen die elkaar allemaal achterna reizen. De vernietiging van lokale culturen door het massatoerisme is in en in treurig. En de Lonely Planet is het handboek voor die vernietiging geworden. Dat was vast niet de oorspronkelijke bedoeling van de makers, maar zij richtten zich van begin af aan wel enkel op de lezer en niet op de lokale bevolking waar ze die op af sturen.
In zijn vermakelijke boek 'Magic Bus: On the Hippie Trail from Istanbul to India' schrijft de Canadese journalist Rory MacLean over de nieuwe generatie reizigers die vanaf de jaren zeventig hun intocht deden in onherbergzame gebieden. Deze hippies, want dat waren ze, trokken met bussen door de woestijn volgens het spoor van de eeuwenoude Zijderoute. Ze waren het verstikkende burgerleven thuis ontsnapt en zochten samen naar de 'ultieme ervaring'. Terwijl de wietrook uit de ramen sloeg hadden ze het over wereldvrede en over vrije liefde, die ze ten uitvoer brachten op een matras achterin de bus en overal waar ze maar kwamen: in de paleistuin van het Topkapı in Istanboel, in de grotten van Kappadocia en in de ijskoude, heldere meren van Kathmandoe. En in alles kopieerden ze de lokale bevolking, van eetmanieren tot spirituele overtuigingen, van het omslaan van een sarong tot het bedrijven van de leer van de Kamasoetra. Tijdens hun zoektocht introduceerden ze Nescafé, instant koffie uit een plastic pakje, in de plaatselijke eettentjes. En bakenden ze de route voor een niet-aflatende stroom Westerse toeristen en het massatoerisme dat niet veel later op gang kwam.

Stomme sukkel
Het lijkt dus dat de auteur terecht uitgaat van een schimmige kant van het massale gebruik van reisgidsen als de Lonely Planet. Maar het lijkt hem daarbij niet zozeer te gaan om de dreiging van het massatoerisme die in het voetspoor zou liggen van het Verliefde Stel en de Rode Neus. Veel meer gaat het hem om de aantasting van zijn eigen 'unieke ervaring', nu hij die blijkt te delen met 'het gros van de rugzaktoeristen'. Hoe dat komt? Heel simpel: hij was zelf ook een 'Volger van het Boek'. "Niet wetende waar ik in Pushkar een slaapplaats kon vinden, laat staan hoe er te komen, haalde ik mijn Lonely Planet tevoorschijn", schrijft hij droog. Zou de auteur zelf ook lang haar in een knotje hebben gehad, een Ohm-teken op de borst en versleten sandalen aan de voeten? In elk geval had hij een ding met de door hem bespuugde backpackers gemeen: hij had een Lonely Planet stevig in de hand. Vreemd dat hij dan later durft te stellen: "Nee, mijn vrienden werden het niet, die backpackers. Mocht ik ooit een volgende lange reis maken, dan zou ik proberen hen zoveel mogelijk te mijden."
En hoe gaat hij die volgende lange reis voorbereiden? Het antwoord is even hypocriet als hilarisch. "Gelukkig, zo zag ik bij thuiskomst, bood Lonely Planet uitkomst. Op de website van de reisgids stonden uiteenlopende bestemmingen 'off the beaten track' en langs 'the roads less travelled'. Nu maar hopen dat niet iederéén dat ontdekte." Nee zeg, stel je voor: zit je daar net lekker dal met je handen te eten in een local restaurantje, komen er weer zo'n stomme sukkel binnen die precies hetzelfde wil doen!
En met die houding wordt de auteur precies de 'rugzaktoerist' die hij in zijn artikel zo hard veroordeelt: diegene die "opvallend hard zijn best deed te benadrukken waarin hij of zij anders was dan de rest."

zaterdag 15 augustus 2009

'Gelijktijdigheid'

Uit Ik was nooit in Isfahaan van Tommy Wieringa. Uitgeverij De Bezige Bij 2009, pagina 136.

'Een van mijn terugkerende verbazingen gaat over de gelijktijdigheid der dingen. Dat is niet zomaar iets. Het is even eenvoudig als verbijsterend en komt erop neer dat ik me de zes miljard mensenlevens die zich tegelijk met het mijne afspelen niet kan voorstellen. Het aantal van zes miljard is onbelangrijk, het kunnen er ook honderd zijn of elfduizend nog wat. Het gaat om het onbegrip over de synchroniciteit van al die mensenlevens die alleen door ruimte worden gescheiden. Ik moet aannemen dat de ander bestaat, maar zie hem niet. De maat van mijn wereld is het erf, de vrienden, de familie. Krant, televisie en internet brengen het bestaan van de ander niet dichterbij, hooguit verlenen ze het de status van een mogelijkheid. Pas wanneer ik de ander in het echt zie, krijgt hij de urgentie van een feit. Vandaar dat het besef van de gelijktijdigheid me meestal overvalt wanneer ik reis. De reis confronteert me met mijn plaats in de wereld: dit alles was er voordat ik het zag, het zal er nog zijn als ik weer vertrokken ben. Dit is ontmoedigend en hoopvol, en laat zien waarom reizen enig belang heeft: het toont ons splinters van de rijkdom van het leven op aarde.'

'Hun bestaan is bewezen, pas nu ben ik in staat tot een vorm van compassie.'


woensdag 12 augustus 2009

"I am thirty-five"

Mijn hoofd tolt van de nicotine van goedkope sigaretten, mijn maag zit vol vlinders. Het is mijn laatste volle dag in Damascus: morgennacht vliegt een Hongaarse Airbus me terug naar Amsterdam. Misschien beleef ik alles intenser nu ik weet wanneer het eindigt, maar de afgelopen week heeft een vracht aan gebeurtenissen over me uitgestort die misschien minder leuk zijn, maar de ervaring wel ronder maken.

Ik ben heel boos geweest en heb alle frustratie over de gang van zaken hier eruit gegooid: in het gezicht van mijn slappe huisbaas gesmeten. Middenin de nacht kwam hij langs om Omar en mij en twee Syrische vrienden van het dakterras af te halen, want de buren hadden geklaagd over ons gedempte gesprek. Gasten waren niet toegestaan na half elf, zei hij, en hij zou vijf minuten buiten wachten tot ze vertrokken waren. Ik zei hem dat ik geen oppas nodig heb, dat ik tweeëntwintig ben. "I am thirty-five", zei hij met overslaande stem en liep naar buiten. 'And you live with your mother', ging het door me heen. Ik weet dat het niet eerlijk van me is, dat dat hier normaal is, maar toen hij weer binnen kwam, begon ik over het recht op privacy. Hij zei dat het zijn huis was en dat ik 'privacy' heb op mijn kamer. Mijn opvattingen over privacy houden helemaal geen stand, want mijn huisbaas is zijn hele leven nog geen moment echt alleen geweest.
Omar had de gasten inmiddels mee naar buiten genomen en stuurde me een sms: 'Emma, kick the schijt out of him and tell him everything I'd like to say. I'm protecting the key. Call or text me when he's gone!'. De discussie over de sleutel ging over in een discussie over de kopieën van onze paspoorten die de huisbaas zou zijn kwijtgeraakt. Hij wilde dat ik nieuwe zou maken. Ik zei dat het persoonlijke informatie was waar hij zorgvuldig mee om moest gaan. Hij keek rond en wees een stoel aan: daar had hij ze laten liggen, dus iemand van het huis zou ze hebben weggegooid. Ik knapte nu hij probeerde de schuld op ons af te schuiven. Pas de leugen gewoon een beetje aan, zodat het in je voordeel werkt. Ik ben er zo ziek van. Spreek de waarheid!

De waarheid is dat ik verliefd ben op mijn huisgenoot. Hij zat op een bankje en bekeek de cultuurbotsing in stilte. Na afloop legde hij een hand op mijn schouder. "I think you were the stronger one," zei hij. "I'm impressed". Hij haalde een stuk Zwitserse chocolade, puur met vijgen en karamel, uit de koelkast. In zijn ogen twinkelden sterretjes.

zaterdag 1 augustus 2009

Petra

De zon hangt zwaar boven de vallei, als een loden bal drukt hij zich langzaam naar beneden. Ik zit op een rots voor de legergroene plastic tent waar Atallah overdag zijn souvenirs verkoopt. Vanaf El Deir, het door de Nabateanen uit de bergwand gehakte klooster, is het bouwsel te zien. ‘End of the World’ staat in grote letters op een witte doek. Aan een hoge paal wappert een Jordaanse vlag.
In het lager gelegen dorp Um Sayhoun woont Atallah samen met de Spaanse Maria, die in verwachting is. Atallah vertelde me dat hij, net als de andere jongens, nog wel eens sliep in de bergen. Maar de woongrotten waar zijn ouders en voorouders in woonden, zijn nu leeg. “My hotel in the mountains has a million stars”, zei hij lachend. “But I always come here for a shower.”

In de jaren tachtig, toen de woestijnstad Petra op de Werelderfgoedlijst kwam te staan, was de Jordaanse overheid begonnen met de bouw van het dorp. De stammen van de plaatselijke Bedoeïenenbevolking werden toen opgesplitst in gezinnen die elk een huisje kregen aangewezen. Nauwelijks groot genoeg voor een familie met meerdere vrouwen en kinderen werden de huizen al snel uitgebreid. Atallahs vader is nu bezig met het bouwen van een extra verdieping voor zijn zoon; zijn drie dochters zullen uiteindelijk verhuizen naar het huis van hun echtgenoten. Nu woont de hele familie nog samen, in een huis van staal en beton.

Later die avond ontmoet ik Atallah en zijn vriend Ahmed voor de ingang van de enige moskee in het dorp. Atallah draagt een zwarte doek op zijn hoofd, Ahmed een traditionele rood-witte. Anders dan hun vaders, die de keffiyeh lang over de schouders laten hangen en op hun hoofd vastzetten met een zwarte band, draaien de jongens hem een slag rond het hoofd tot een soort tulband. Ahmed heeft zijn ogen aangezet met zwarte kohl. Overdag struint hij met zijn twee kamelen over het terrein en pikt hij toeristen op voor een ritje. Vooral aan “dikke Amerikanen” verdient hij naar eigen zeggen veel. Hij haalt zijn nieuwste aanschaf tevoorschijn, een groene i-Pod Shuffle. Ik krijg een koptelefoontje in mijn oor gedrukt, Bob Marley zingt “no woman, no cry”. Ahmed vindt het prachtig. “A life without a wife, is like a kitchen without a knife” zegt hij grijnzend. Tot hij zijn eigen keuken en vrouw heeft zijn er de toeristen en vooral, de toeristes.