Posts tonen met het label reisverhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label reisverhalen. Alle posts tonen

zaterdag 5 juni 2010

Write Now! Rotterdam

Met vijf korte reisverhalen die ik schreef voor deze blog heb ik de Rotterdamse voorronde van de schrijfwedstrijd Write Now! gewonnen! Dit schreef jurylid Wiegertje Postma:

"De inzending die met de eerste prijs aan de haal gaat, schittert door het gemak waarmee het geschreven lijkt te zijn. Dit is veruit het best lopende stuk: ieder woord staat als een huis en de schrijfster weet dat ze geen taalacrobatiek nodig heeft om haar scenes raak neer te zetten. De terloopse beschrijvingen leveren indringende beelden op, scherp maar subtiel. De verschillen tussen de streken waar de scenes in het verhaal plaatsvinden worden nergens expliciet genoemd, maar zijn duidelijk voelbaar, evenals de gevoelige politieke situaties in die gebieden. Dit is het werk van iemand die heel duidelijk weet waar ze mee bezig is, en voor wie schrijven als vanzelf komt. Wel misten sommige juryleden een eigen stem, en was de jury verdeeld over de vraag of de verschillende scenes elkaar ook altijd versterkten. Maar eerlijk is eerlijk: dat zijn wanhopige kreten van een jury die actief bezig is om overal iets op aan te merken te hebben. De winnaar van Write Now! Rotterdam 2010 is ‘PETRA, JORDANIË’ van EMMA BIJLOOS’."

De korte reisverhalen zijn hier te vinden. Voor de landelijke finale schreef ik een nieuw verhaal, over de Azerbeidzjaanse journalist Fikrat Hüseynli die in Nederland asiel aanvraagt (klik hier). Om op mijn verhaal stemmen, klik hier. De finalist met de meeste stemmen wint een publicatie in dagblad De Pers.

donderdag 10 december 2009

Checkpoint

Er is een uur verstreken en nog mogen we niet verder. Bij een checkpoint even buiten de hoofdstad van Jemen, Sana’a, staat ons busje stil langs de weg. De Jemenitische studenten die wij, een groep studenten uit Nederland, hier voor een uitwisseling hebben ontmoet willen ons meenemen naar Shibam, Thula en Kokaban, drie oude dorpen buiten de stad. Nu de zon haar hoogste punt heeft bereikt is het binnen drukkend warm, maar onze gids heeft liever niet dat we uitstappen. Zelf staat hij met de chauffeur in de zon en kijkt ongeduldig om zich heen. Dan stapt hij op de twee douanebeambten af die midden op de weg staan. De mannen zijn traditioneel gekleed, in een lang wit shirt of djellaba met een goudkleurig ceintuur om hun middel waarachter een kromme dolk, een djanbiya, is gestoken. De een heeft zijn geborduurde sjaal losjes om zijn hoofd geknoopt, de ander draagt hem over de schouders. Een moderne toevoeging, populair onder de mannen hier, is het donkergrijze colbertje dat ze allebei over hun djellaba dragen. Om hun schouders bungelt een geweer. Ze tillen een mondhoek op om onze gids kort te antwoorden, hun wangen staan bol van de blaadjes qat waar ze op kauwen. De gids druipt af, een frons op zijn voorhoofd. Het is duidelijk dat we hier nog wel even staan.

zaterdag 15 augustus 2009

'Gelijktijdigheid'

Uit Ik was nooit in Isfahaan van Tommy Wieringa. Uitgeverij De Bezige Bij 2009, pagina 136.

'Een van mijn terugkerende verbazingen gaat over de gelijktijdigheid der dingen. Dat is niet zomaar iets. Het is even eenvoudig als verbijsterend en komt erop neer dat ik me de zes miljard mensenlevens die zich tegelijk met het mijne afspelen niet kan voorstellen. Het aantal van zes miljard is onbelangrijk, het kunnen er ook honderd zijn of elfduizend nog wat. Het gaat om het onbegrip over de synchroniciteit van al die mensenlevens die alleen door ruimte worden gescheiden. Ik moet aannemen dat de ander bestaat, maar zie hem niet. De maat van mijn wereld is het erf, de vrienden, de familie. Krant, televisie en internet brengen het bestaan van de ander niet dichterbij, hooguit verlenen ze het de status van een mogelijkheid. Pas wanneer ik de ander in het echt zie, krijgt hij de urgentie van een feit. Vandaar dat het besef van de gelijktijdigheid me meestal overvalt wanneer ik reis. De reis confronteert me met mijn plaats in de wereld: dit alles was er voordat ik het zag, het zal er nog zijn als ik weer vertrokken ben. Dit is ontmoedigend en hoopvol, en laat zien waarom reizen enig belang heeft: het toont ons splinters van de rijkdom van het leven op aarde.'

'Hun bestaan is bewezen, pas nu ben ik in staat tot een vorm van compassie.'


woensdag 12 augustus 2009

"I am thirty-five"

Mijn hoofd tolt van de nicotine van goedkope sigaretten, mijn maag zit vol vlinders. Het is mijn laatste volle dag in Damascus: morgennacht vliegt een Hongaarse Airbus me terug naar Amsterdam. Misschien beleef ik alles intenser nu ik weet wanneer het eindigt, maar de afgelopen week heeft een vracht aan gebeurtenissen over me uitgestort die misschien minder leuk zijn, maar de ervaring wel ronder maken.

Ik ben heel boos geweest en heb alle frustratie over de gang van zaken hier eruit gegooid: in het gezicht van mijn slappe huisbaas gesmeten. Middenin de nacht kwam hij langs om Omar en mij en twee Syrische vrienden van het dakterras af te halen, want de buren hadden geklaagd over ons gedempte gesprek. Gasten waren niet toegestaan na half elf, zei hij, en hij zou vijf minuten buiten wachten tot ze vertrokken waren. Ik zei hem dat ik geen oppas nodig heb, dat ik tweeëntwintig ben. "I am thirty-five", zei hij met overslaande stem en liep naar buiten. 'And you live with your mother', ging het door me heen. Ik weet dat het niet eerlijk van me is, dat dat hier normaal is, maar toen hij weer binnen kwam, begon ik over het recht op privacy. Hij zei dat het zijn huis was en dat ik 'privacy' heb op mijn kamer. Mijn opvattingen over privacy houden helemaal geen stand, want mijn huisbaas is zijn hele leven nog geen moment echt alleen geweest.
Omar had de gasten inmiddels mee naar buiten genomen en stuurde me een sms: 'Emma, kick the schijt out of him and tell him everything I'd like to say. I'm protecting the key. Call or text me when he's gone!'. De discussie over de sleutel ging over in een discussie over de kopieën van onze paspoorten die de huisbaas zou zijn kwijtgeraakt. Hij wilde dat ik nieuwe zou maken. Ik zei dat het persoonlijke informatie was waar hij zorgvuldig mee om moest gaan. Hij keek rond en wees een stoel aan: daar had hij ze laten liggen, dus iemand van het huis zou ze hebben weggegooid. Ik knapte nu hij probeerde de schuld op ons af te schuiven. Pas de leugen gewoon een beetje aan, zodat het in je voordeel werkt. Ik ben er zo ziek van. Spreek de waarheid!

De waarheid is dat ik verliefd ben op mijn huisgenoot. Hij zat op een bankje en bekeek de cultuurbotsing in stilte. Na afloop legde hij een hand op mijn schouder. "I think you were the stronger one," zei hij. "I'm impressed". Hij haalde een stuk Zwitserse chocolade, puur met vijgen en karamel, uit de koelkast. In zijn ogen twinkelden sterretjes.

zaterdag 1 augustus 2009

Petra

De zon hangt zwaar boven de vallei, als een loden bal drukt hij zich langzaam naar beneden. Ik zit op een rots voor de legergroene plastic tent waar Atallah overdag zijn souvenirs verkoopt. Vanaf El Deir, het door de Nabateanen uit de bergwand gehakte klooster, is het bouwsel te zien. ‘End of the World’ staat in grote letters op een witte doek. Aan een hoge paal wappert een Jordaanse vlag.
In het lager gelegen dorp Um Sayhoun woont Atallah samen met de Spaanse Maria, die in verwachting is. Atallah vertelde me dat hij, net als de andere jongens, nog wel eens sliep in de bergen. Maar de woongrotten waar zijn ouders en voorouders in woonden, zijn nu leeg. “My hotel in the mountains has a million stars”, zei hij lachend. “But I always come here for a shower.”

In de jaren tachtig, toen de woestijnstad Petra op de Werelderfgoedlijst kwam te staan, was de Jordaanse overheid begonnen met de bouw van het dorp. De stammen van de plaatselijke Bedoeïenenbevolking werden toen opgesplitst in gezinnen die elk een huisje kregen aangewezen. Nauwelijks groot genoeg voor een familie met meerdere vrouwen en kinderen werden de huizen al snel uitgebreid. Atallahs vader is nu bezig met het bouwen van een extra verdieping voor zijn zoon; zijn drie dochters zullen uiteindelijk verhuizen naar het huis van hun echtgenoten. Nu woont de hele familie nog samen, in een huis van staal en beton.

Later die avond ontmoet ik Atallah en zijn vriend Ahmed voor de ingang van de enige moskee in het dorp. Atallah draagt een zwarte doek op zijn hoofd, Ahmed een traditionele rood-witte. Anders dan hun vaders, die de keffiyeh lang over de schouders laten hangen en op hun hoofd vastzetten met een zwarte band, draaien de jongens hem een slag rond het hoofd tot een soort tulband. Ahmed heeft zijn ogen aangezet met zwarte kohl. Overdag struint hij met zijn twee kamelen over het terrein en pikt hij toeristen op voor een ritje. Vooral aan “dikke Amerikanen” verdient hij naar eigen zeggen veel. Hij haalt zijn nieuwste aanschaf tevoorschijn, een groene i-Pod Shuffle. Ik krijg een koptelefoontje in mijn oor gedrukt, Bob Marley zingt “no woman, no cry”. Ahmed vindt het prachtig. “A life without a wife, is like a kitchen without a knife” zegt hij grijnzend. Tot hij zijn eigen keuken en vrouw heeft zijn er de toeristen en vooral, de toeristes.



donderdag 30 juli 2009

Damascus

S. was ziek dit weekend. Zij en C., die een kamer delen in ons huis in de oude stad van Damascus, hadden naar Beiroet willen gaan. De excursie naar Palmyra, onderdeel van onze zomercursus, zouden ze inruilen voor een feestje aan de Libanese kust. Nu lag S. op de grond in de gang, waar het koeler zou zijn dan in de rest van het huis. Haar ogen rolden naar boven als je haar wat vroeg, een handje ging even de lucht in en viel weer neer. De fles water was half leeg, maar alles wat erin ging kwam er gelijk weer uit. En dus at ze niet, twee dagen lang.

De rest van het huis vertrok naar het Oosten en zaterdagavond kwamen we terug, warm en rood als Palmyreense zandsteen. We verspreidden woestijnzand door het huis met onze slippers en dachten aan mannen met witte tanden op witte kamelen. Libanees bier werd uit koelkast gehaald, er werd geproost en gelachen. Op de binnenplaats stond een halflege pan bleke pasta op tafel, het bed in de gang was weg. S. zat op een stoel op de overloop. Ze droeg een wit hemdje en onderbroek en ze rookte een sigaret. De dokter had haar een spuit gegeven en antibioticapillen waar ze volgens C. van ging ijlen. Maar het ging wel iets beter, en ze had de was gedaan.

Gisternacht, terwijl we op onze binnenplaats zaten, bedacht ik me dat ik wilde verhuizen. Weg uit dit stelsel van verborgen kamers en doodlopende trappen, naar een plek minder verstopt tussen de steegjes, minder diep in de doffe ellende die zich hier met de jaren heeft opgestapeld. De wanhoop komt hier te dichtbij, zo dichtbij dat ik er bang van ben geworden. Het schuifelt heel stil door de straatjes, soms achter een vuilnisbak op wielen, soms met een bezem. Het zweeft door het stof en het vuilnis dat op straat is achtergelaten en het hult zich in spinrag tot de nacht is gevallen. In het maanlicht huilt het en wast het zich in zoute tranen. Het is hulpeloos en zwak. Maar wee degene die het s’nachts alleen passeert. Dan licht het op in een woedende flits en braakt het het braaksel van iemand die niets meer heeft te verliezen.

Op de binnenplaats eten we pasta met tonijn. S. dommelt weg met een boek op schoot. Boven ons klinkt de roep voor het avondgebed.

zondag 12 juli 2009

Beiroet

Ik zit op een bankje onder een overhangende boom en kijk uit op zee. De Amerikaanse universiteit van Beirut ligt op een heuvel aan de Mediterraanse kust te glimmen in de zon. Jonge mensen lopen ontspannen langs de koloniale gebouwen, ze wandelen twee aan twee onder de palmbomen en platanen. De meisjes dragen opbollende jurkjes en sandalen, de jongens een bloes, spijkerbroek en slippers. Via een gang onder de boulevard bereik je het privé-strand, waar de studenten, aan het zicht onttrokken door een rij schermen, in bikini's en shorts in de zon liggen en een duik nemen.
Een Boeing vliegt over; vogelgetsjirp klinkt tussen de takken. In de verte klinkt het geklok van een tennisbal op een racket. Wie denkt hier nog aan frictie tussen bevolkingsgroepen, aan Hezbollah en aan een burgeroorlog waar dit glanzende paradijs nog steeds de sporen van draagt? Tussen de nieuwe wolkenkrabbers staan betonnen skeletten vol kraters en kogelgaten. Op elke hoek van de straat staat een militair in bruin camouflagepak, met een kalashnikov aan de schouder. En net nog passeerde onze taxi een militair konvooi, met tien militairen per pantserwagen en eentje op een jeep achter een mitrailleur. Lachend hadden ze zich omgedraaid om de buitenlandse toeristen te kunnen bekijken.

zondag 5 juli 2009

Deir Mar Musa

Om op adem te komen besluiten Omar en ik naar Deir Mar Musa te gaan, een klooster in de bergen ten noorden van het door smog vervuilde Damascus. Een ronkend minibusje brengt ons van de hoofdstad naar de rand van een troosteloze zandvlakte, die we doorkruisen met een taxi. Aan de voet van een rij rotsachtige heuvels worden we afgezet, vanuit de verte is het klooster nauwelijks te onderscheiden. In de brandende zon klimmen we naar boven. 

Deir Mar Musa, of het klooster van Sint Mozes, werd door de Italiaanse monnik Paulo D'Oglio gered van de ondergang en is nu een levendige Syrisch-orthodoxe gemeenschap. Op het terras zitten een groep Syrische studenten, een Iraakse familie, een groep Italiaanse toeristen en pelgrims uit Mexico, Frankrijk, Groot-Brittannië en Amerika. We kunnen gelijk aanschuiven voor de lunch. Joekels van theekannen gaan rond en vullen beker na beker terwijl we ons mengen in de discussie van de Syrische studenten, die onomwonden hun mening geven over zaken waarover beneden niet wordt gesproken.


Als met het vallen van de avond de bel voor de meditatie klinkt vertrekken de meeste bezoekers huiswaarts. De achterblijvers gaan gebukt door een poortje de kerk binnen, waar twee broeders de meditatie inluiden met een gebed. Daarna trekt iedereen zich terug voor het uur dat in voorbereiding tot de mis in stilte moet worden doorgebracht. Om nog een glimp van de zonsondergang te vangen haast ik me op mijn slippers de heuvels in. Glibberend en klauterend probeer ik de top van een rots te bereiken. Terwijl de laatste gloed van de zon wegsijpelt tussen de rotsen, rijst de maan wit boven het klooster. Als een zilveren schijf rust hij op de stenen. In de verte klinkt het holle geblaf van een hond. Ik ben alleen in dit land van God.


Wanneer een uur later de mis begint zijn de Middeleeuwse wandschilderingen, waar dit klooster beroemd om is, nauwelijks nog te onderscheiden. Ik ga zitten tegen de achterwand, waarop een engel en de duivel om het hardst trekken aan een weegschaal vol mensenhoofden. In het midden van de zaal zit broeder Jihad in kleermakerszit voor een opengeslagen Bijbel. Hij wrijft in zijn ogen en zegt het vanavond kort te zullen houden, omdat iedereen moe is. Een uur lang wordt er in zachte, lage stemmen gebeden. Dan richt Jihad zich tot mij en vraagt me waar ik vandaan kom. Ik antwoord en word vervolgens gevraagd een Nederlandse hymne te zingen. Voor ik heb kunnen antwoorden sist Jihad om stilte. Mijn hart bonkt in mijn keel terwijl ik, als enige troef, het Onze Vader opzeg. Na mijn “Amen” zetten de anderen het Kyrieleison in. Ik geef het schaaltje brood en de kelk met wijn door zonder ervan te drinken, maar de Arabische Bijbel weegt zwaar in mijn schoot.

maandag 8 juni 2009

Antakya

Vanonder de wijnbladeren op het terras wijst Ahmet in de verte. Het Turkse dorpje Yayladağı kruipt op tegen de heuvels, richting de Turks-Syrische grens. Vandaag had ik in Damascus willen zijn, maar de bus rijdt morgen pas. Ahmet, een rijzige man van eind vijftig met een dikke zwarte snor, had tijdens de busrit van Adana naar Antakya voorgesteld dat ik in het huis van zijn zus zou overnachten. Hij is er zelf vijf jaar niet geweest.

Nadat we die middag in Antakya waren aangekomen moesten Ahmet en ik een uur wachten op het busje van Ahmets neef. Ahmet vroeg me of ik misschien thee wilde. Ik bedankte vriendelijk. Hij vroeg het nog eens. Weer zei ik nee. Ahmet boog zich naar me toe en zei, duidelijk beschaamd, dat ik thee moest drinken, want zo hoorde dat hier. Met het kopje thee ging ik op de achterbank zitten, maar Ahmet gebaarde dat ik voorin plaats moest nemen, zodat ik alles goed zou kunnen zien. Nadat meer mensen waren ingestapt reden we de stad uit, de heuvels in. Een meisje ging naast me zitten en vroeg me giechelend of ik bij haar wilde komen logeren. Toen ze even later uitstapte voelde ik een lichte paniek opkomen. Had ik niet beter met haar mee kunnen gaan? Waar was ik aan begonnen?
De wegen werden steiler en nauwer, achter elke hoek staarde een paar kinderogen. De kinderen joelden, Ahmets neef toeterde. Bovenaan de heuvel stapten we uit. Ahmet hees mijn loodzware backpack over zijn schouder en liep voor me uit naar een onbeschilderd huis. We gingen een trap op, boven was de voordeur open.
Ahmets zus Naime was ongeveer zestig, droeg een lila t-shirt zonder beha en had een wit doekje om haar haren geknoopt. Terwijl ze mijn hand schudde keek ze fronsend naar mijn schoenen en wierp twee plastic slippers op de grond. Ik wilde haar achterna lopen naar de keuken, maar Ahmet riep me naar het terras. Of ik een Christen ben, wilde zijn neef Mehmet weten. Zijn familie, vertelde hij, was Alawiet. Het klonk als een geheim en misschien was het dat ook wel, want Alawieten zijn in Turkije in de minderheid.

Ahmet laat zijn arm zakken, kinderstemmen klinken schel op de trap. Mehmets zus Seren komt binnen met haar twee kinderen, die direct de boezem van hun grootmoeder Naime induiken. De oudste, ook Mehmet, praat iedereen de oren van het hoofd. Dat ik hem niet versta deert hem niet. Zijn jongere broertje Koray heeft twee hoorapparaatjes en kan alleen gillen en mompelen. Hij gaat ervoor naar de dokter, vertelt Seren. Ze is ervan overtuigd dat haar zoon over een jaar zal kunnen spreken.
We schuiven rond de tafel op het terras en geven schalen door met gevulde paprika's, pasta, olijven, kip en de dolma's die Naime van de wijnbladeren heeft gevouwen. Naime probeert Koray op schoot te trekken, die om ons heen dartelt en overal tegenaan botst. In de verte brandt een licht bij de grens. De grens die tijdens de Tweede Wereldoorlog door de geallieerden is verlegd, waardoor Antakya niet langer Arabisch, maar Turks grondgebied is. Ahmets familie verstaat daardoor twee talen. Ik vraag me af hoe ik Naime moet bedanken voor de gastvrijheid die haar door haar broer is opgedrongen. 'U kookt erg goed' zeg ik in het Arabisch. Om er in het Turks aan toe te voegen, 'beter dan mijn moeder'. En ze lacht.

maandag 1 juni 2009

Bij de baard van de Profeet

Voorwoord van ROest, Tijdschrift voor Geschiedenis, Cultuur en Media. Nr.40, juni 2009 (pagina 2).

Anderhalf jaar geleden bezocht ik Marokko. Ter voorbereiding had ik wat woordjes Arabisch geleerd, mocht mijn Frans niet toereikend zijn. De Arabische groet 'salaam aleikum' klonk mij toen uiterst amusant in de oren. Ik associeerde het direct met de figuren uit een stripverhaal dat ik vroeger zo vaak had gelezen. Het ging over een blanke reporter die op onderzoek uitgaat in het fictieve land Khemed, bewoond door Arabieren met puntbaardjes, spitse of dikke neuzen (veelzeggend over hun aard) en gehuld in fladderende gewaden en hoofddoeken. In Khemed woedt al jaren oorlog tussen emir Ben Khalisj Ezab en sjeik Bab El Ehr, die vechten om de macht over de oliebronnen die het land rijk is. 'Gekleed als een bedoeïen' bezoekt de reporter de emir en hij uit daarbij de bovengenoemde groet. "Aleikum salaam" is het antwoord van de emir, die de reporter gebaart plaats te nemen. Mohammed Ben Khalisj Ezab oogt als een goedaardig leider, met een rond brilletje op zijn ronde neus en de handen gevouwen op een wandelstok. Maar wanneer de reporter naar zijn twee vrienden vraagt die per ongeluk zijn vastgezet, antwoordt de emir echter koeltjes hen te zullen straffen met stokslagen. "Dat hebben ze wel verdiend." En later, als zijn zoontje Abdallah door de sluwe sjeik ontvoerd blijkt te zijn, noemt de emir hem achtereenvolgens 'zoon van een schurftige hond', 'kleinzoon van een kale jakhals' en 'achterkleinzoon van een geplukte gier'. "Ik zal je laten spietsen!" gilt hij, "ik zal je laten doodmartelen!" De emir wil de sjeik zelfs 'al zijn baardharen een voor een uitrekken en ze hem vervolgens laten opvreten met rode peper'. Temidden van al deze verwensingen en het geweld waarmee de Arabieren elkaar bestoken biedt de bedachtzame, intelligente, Westerse reporter de lezer telkens een rustig ijkpunt. Het clichébeeld van Westerse beschaving versus Oosterse barbariteit heeft zich met dit beeldverhaal waarschijnlijk meer in mijn herinnering vastgebeten dan welk televisiebeeld ook. Maar er is al een nuance zichtbaar. De echte slechterik, die het heeft gemunt op de olievoorzieningen, is namelijk een blanke. En die deinst nergens voor terug.

De uitspraken zijn overgenomen uit Kuifje en het Zwarte Goud van Hergé. Uitgeverij Casterman 1950.

Kostbare bloemen

Vrouwen in de Islamitische Republiek van Iran

Fotoreportage en verhaal, gepubliceerd in ROest, Tijdschrift voor Geschiedenis, Cultuur en Media. Nr.40, juni 2009.

De Islamitische Republiek van Iran kennen we in het Westen voornamelijk als de stiekeme ontwikkelaar van kernwapens, prominent lid van de As van het Kwaad en thuishaven van politiek pyromaan Mahmoud Ahmadinejad. Een bezoek aan het land leidt echter tot een heel ander beeld. Emma Bijloos schreef over de vrouwen die ze er tegenkwam; Jan Kliewer fotografeerde het sprankje hoop dat leeft bij alle bevolkingsgroepen.

Lees verder (pagina 20 t/m 27).

dinsdag 10 maart 2009

Pleisterplaats tussen Oost en West

Erasmus Uitwisselingsverslag

Gepubliceerd in ROest, Tijdschrift voor Geschiedenis, Cultuur en Media. Nr.38, december 2008, pagina 22 t/m 23. Foto's van Einfach Amin.

Het is drie uur 's middags en ik zit in de kantine van de Satralistanbul campus, een van de drie complexen van de Bilgi Universiteit in Istanboel. De koks, serveersters en de keukenhulp hebben pauze en zitten links van me aan de lunch. De linzensoep, rijst en börek met spinazie en kaas worden weggespoeld met ayran, een karnemelkachtig drankje met yoghurt, water en zout. De vrouwen dragen een hoofddoek, in tegenstelling tot de studentes aan de andere tafels die hun goed gekapte blonde en bruine lokken los laten hangen. Nee, één meisje draagt toch een hoofddoek, een zilverkleurige, boven haar zwarte trui, hippe Mavi-jeans en All-Stars.
Hoewel de rechterlijke macht van Turkije het dragen van een hoofddoek op universiteiten verboden heeft, knijpt de Bilgi Universiteit een oogje toe. Het is een van de duurste, meest moderne universiteiten van het land, en de studenten betalen grof geld om hier te kunnen studeren. Misschien wordt het dragen van een hoofddoek daarom wel gedoogd. Maar het lijkt ook een teken van erkenning van de cultuurverschillen die Turkije herbergt.

Kakofonie
De Bilgi Universiteit laat zich graag voorstaan op haar vooruitstrevende, open karakter. Met drie campussen middenin de meest beruchte sloppenwijken van de stad verzorgt de universiteit naschoolse opvang en huiswerkbegeleiding voor de kinderen uit de buurt. Als de bus weer eens laat is wandelen we door de nauwe straatjes van Tepebaşı of Kurtuluş naar huis. Het is een wirwar van waslijnen, elektriciteitskabels en mandjes die aan een touw naar beneden worden getakeld, een kakofonie van het geschreeuw van spelende kinderen, het gemompel van bijeen drommende mannen, het schelle geroep van vrouwen driehoog voor de inhoud van hun mandje en het getoeter van een enkele auto die hier durft te rijden. En nergens houdt het op.

Waar je ook gaat in Istanboel, overal wordt geroepen, getoeterd, geduwd en gevochten om een plekje, al is het nog zo klein, in deze pleisterplaats tussen Oost en West.

Door de uiterst gunstige ligging rondom de waterstraat tussen twee continenten is Istanboel al eeuwenlang een aantrekkelijke plaats voor nationale en internationale gelukzoekers. Het precieze aantal bewoners lijkt nooit te kunnen worden vastgesteld, maar ligt momenteel ergens tussen de twaalf en zestien miljoen. Waar je ook gaat, van het centrale plein Taksim tot in de conglomeratie van krotten in Eminönü, van de brede winkelboulevards in Kadiköy tot in de smalle straatjes van de kunstenaarswijk Cihangir, van de vismarkt naast de Galatabrug tot in een moskee in Eyüp, overal wordt geroepen, getoeterd, geduwd en gevochten om een plekje, al is het nog zo klein, in deze pleisterplaats tussen Oost en West. Zelfs de veerpont biedt geen uitkomst: de kapitein wacht net zo lang tot de boot volgeladen naar het andere continent kan. Maar de wind, de hoge donkere golven, het geroep van de meeuwen en het voorbijglijdende stadsgezicht vol minaretten bieden toch telkens weer een ervaring. En de gedachte dat je in een klein half uurtje van Europa naar Azië vaart, blijft verbazen.

Burası Türkiye
Het Westerse mantra ‘time is money’ kennen ze hier niet. Terwijl de bus naar huis op het punt staat om weg te rijden wacht ik nog steeds ongeduldig op mijn simit, een broodring met sesamzaad. De verkoper maakt echter rustig zijn praatje af, bestelt nog een kop çay in het nabijgelegen café en vraagt dan of hij het in moet pakken. ‘Burası Türkiye, herşey mümkün’ gaat het door me heen. Het is Turkije, alles is mogelijk.
Ook in Istanboel lopen de dingen altijd anders dan je had verwacht. Een overkoepelend, verordonnerend stadsbestuur lijkt afwezig: mannen zonder uniform halen het vuilnis op, lassen zonder masker een uithangbord vast en verkopen overal dezelfde waar. Met karretjes vol stekkerdozen, armbandjes of theedoeken proberen ze dag in dag uit hun kostje bij elkaar te schrabbelen. En dat vol goede moed.
De speelsheid en de behulpzaamheid van de lokale bewoners is telkens weer ontwapenend. Als buitenlander betaal je misschien meer en moet je altijd langer wachten. Maar ondertussen beland je wel op aparte plaatsen, drink je sloten thee met de vriendelijkste mensen, en leer je dat, ook al duurt het wat langer, het uiteindelijk allemaal wel goed komt. ‘Inşallah’, als God het wil tenminste.

Emma Bijloos is derdejaars student Algemene Cultuurwetenschappen en studeert een semester aan de Istanbul Bilgi University in Istanbul.

vrijdag 30 januari 2009

Madar & Pedar

Fayrouz zingt over de liefde. Mijn nieuwe Iraanse vriendinnen dansen door de kamer, verven hun ogen donker, tekenen een nog sensuelere oogopslag en bekijken de foto's op hun mobieltjes. Ze kletsen erop los in Farsi, dat inmiddels zo vertrouwd klinkt dat ik bijna vergeet dat ik er niks van versta. De basiswoordjes die ik ken probeer ik uit op de ouders van Roshanak, beiden immens lief. Zowel 'madar' als 'pedar' is klein van stuk. De moeder heeft een glad gezicht, met lachrimpeltjes naast de diepliggende ogen. Ze staat zwijgend in de deuropening en slaat haar enige dochter en haar vriendinnen gade. Roshanak, 28 jaar oud, hoopt over een half jaar naar Canada te emigreren. Iran, vindt ze, is een 'slecht land' om te wonen. Dat ze een Iraanse vriend heeft die in Canada op haar wacht, weten haar ouders niet. Tot ze trouwt verbieden zij haar de omgang met 'vreemde' mannen. Dat we gisteren tot laat met drie jongens door de straten van Esfahan liepen, wordt dus ook niet verteld. Maar hoewel Roshanak bepaalde dingen is verboden, hebben haar ouders verder wel alles voor haar over. Zo stonden ze vannacht hun eigen bed aan ons af en sliepen zelf op het tapijt in de woonkamer. En vanochtend had de moeder een heerlijk ontbijt klaargemaakt, met plat brood uit de oven, honing, drie soorten jam, fruit, walnoten en thee. Het stemde me verdrietig te denken dat ze hun dochter straks lange tijd moeten missen.

Teheran - Esfahan

De trein van Teheran naar Esfahan pauseert op een tussenstation. L. en ik liggen op een smal matras in de nok van de treincoupé. Beneden ons klinkt geroezemoes: de mannen praten zacht met elkaar in Farsi, of Perzisch. Net nog zaten we uitgebreid te kletsen in het Engels: over de politieke situatie in Ierland, waar mijn reisgenoot M. vandaan komt; over de Ierse cultuur en de muziek. L. bladert haar Engelse taalboek door. Op de voorkant staat een foto van de Big Ben; binnen is alles uitgeschreven in Engels als Farsi, dat van rechts naar links leest. Ze heeft haar hoofdoek afgedaan en haar dikke donkere krullen vallen over haar schouder. Of ik het vervelend vind om een hoofddoek te dragen, vroeg ze me net. Zelf vind L. het niks: het is een van de vele geboden voor vrouwen in Iran. Ik had geluk, zei ze, dat ik kan gaan en staan waar ik wil. Maar gelukkig had ze zelf een goede man: een progressieve man die Engels doceert. Hij lacht. "We just married. Four years ago!".
Onze binnenkomst in de trein was heel wat minder rustig. Na een heerlijke maaltijd in een Perzisch restaurant in Teheran, met traditioneel Iraanse hapjes van het huis en bediend door de hele familie, moesten M., J. en ik ons waanzinnig haasten voor de laatste trein. Met onze backpacks werden we een gammele taxi ingeduwd door een man die we hadden ontmoet op de metro en die ons persoonlijk naar het station wilde brengen. "Burn rubber my friend!" gebood M. de taxichaffeur, die ons vol gas door het Teheraanse verkeer heen slalomde. Voor het station buitelden we naar buiten en hobbelden zo snel we konden naar het juiste perron. Het personeel spoorde ons aan: "Esfahan! Esfahan!" En met het fluiten van de trein klommen we aan boord, en vertrokken in een wolk van stoom richting het zuiden.

zondag 18 januari 2009

Little Wing Café

Deze tekeningen maakten mijn Franse huisgenoot Magali en ik tijdens ons laatste avondje in het Little Wing Café, een van de leukste cafe's van Istanboel dat ging sluiten.

~~~
De laatste tekening is van Magali Wehrung. Meer van haar werk is te zien op haar blog. Mijn schetsboekje van Istanboel kun je bekijken op www.emmabijloos.com (of klik hier).


zaterdag 6 december 2008

Koffie verkeerd

Café Firuz, Cihangir. Een luidruchtige Fransman brult schijnbaar zonder het door te hebben in zijn mobieltje en zwaait in het rond met een nog onaangestoken Malboro-sigaret. Telkens wanneer aan de andere kant van de lijn wat gezegd wordt steekt hij de sigaret in zijn mond, pakt de aansteker, legt die weer neer, neemt de sigaret uit zijn mond en geeft gepikeerd antwoord. Een slungelige jongen in grote gebreide trui brengt hem een glas water met een citroenschijfje.
De man neemt een slok, roept nog wat verontwaardigde opmerkingen in zijn telefoon en hangt dan op. Nu het gesprek is beëindigd leunt hij achterover in zijn terrasstoeltje en steekt de inmiddels weke sigaret op. In een lange adem blaast hij de rook uit; het lijkt hem te kalmeren.

Turkse koffie is best te drinken, maar de koffie verkeerd van café Firuz trekt me elke ochtend weer het huis uit.

Een koffie verkeerd wordt op tafel gezet. Hier kun je je glas leegdrinken zonder je te verslikken in koffiedik: iets wat Westerlingen telkens overkomt bij het nuttigen van traditionele Turkse koffie. Thuis hebben we een Turks koffiepotje waarin je gemalen koffie en water samen kookt en ongefilterd bij de warme melk giet. Het is best te drinken, maar ‘echte’ koffie in een cafeetje als Firuz trekt me elke ochtend weer het huis uit.
Evenals de muziek die dag in dag uit de speakers van de benedenbuurman klinkt, en het feit dat de huiskamer en keuken deel uitmaken van Magali’s slaapkamer. Niet zo lang geleden hebben we een gordijn opgehangen, maar het geslurpt en gesis van de koffiepot en het kloppen van de melk maken haar zonder twijfel wakker. Hoewel ze in diepe slaap is na een lange nacht in de kroeg in de buurt van Galatabrug. Ik zou eerst meegaan, na een vriend die vandaag naar Iran vertrekt te hebben uitgezwaaid. Maar blijkbaar hadden hij en ik elkaar veel te vertellen, en bovendien meer zin in thee dan in bier, of wijn. Turkse thee bereidt je in twee potten: in de bovenste hele sterke zwarte thee; in de onderste heet water waarmee je de thee in het kopje aanlengt. Zonder een schep suiker is het niet te drinken.

dinsdag 11 november 2008

Kaboel

Gepubliceerd in ROest, Tijdschrift voor Geschiedenis, Cultuur en Media. Nr.38, december 2008.

‘Verslagenheid in Afghanistan’. In de zee van tijdschriften grijpt het zinnetje mijn aandacht. Ik verlaat mijn kostbare plekje vooraan in de rij voor de kassa en wurm me door de andere rijen naar het kostbare tijdschrift. Normaal gesproken zou het me niet eens zijn opgevallen. Hooguit het artikel over ‘John McCain’s laatste kans’ zou even mijn aandacht hebben getrokken. Maar nu is alles anders. Afghanistan is belangrijk. Belangrijker dan Amerika.
Ik betaal mijn boodschappen en blader buiten naar het artikel. "Er is geen uitgelekte bron voor nodig om te weten dat Afghanistan zich in een neerwaartse spiraal bevindt." Naast de eerste zin een plaatje van het land: het noorden geel, het zuiden oranje en rood. Oranje staat voor 'redelijk' gevaarlijk, rood voor 'extreem'. De oranjerode zee kruipt omhoog en heeft de hoofdstad Kaboel al omsingeld. Even schiet mijn hart naar mijn keel. Kaboel. Wat voorheen een vluchthaven voor zowel hulpverleners als Afghanen was wordt nu met de dag gevaarlijker.

Kaboel. Nooit had ik gedacht daar ooit naartoe te willen. De oorlog in Afghanistan deed me sowieso niet veel. Het scheen me een van die ontwikkelingen zonder einde toe: altijd in het nieuws maar nooit echt actueel. Zo ook de oorlog in Israel en Palestina, en in Irak. Iedereen weet ervan, maar slechts een enkeling wordt er echt door geraakt. En waarom zou het je ook wat kunnen schelen. Een ver-van-je-bed-show.

Maar nu gaat Afghanistan me aan het hart. Want nu weet ik van de talloze kinderen die elke dag hun kunstjes bijspijkeren in het kindercircus. En hoe ze de hele stad gek maken met hun rotjes tijdens Eid al Fitr, de Islamitische feestdag. Ik weet dat Afghanen van gewelddadige sport houden: kickboksen, hanengevechten en de nationale sport Buzkashi, waarbij mannen te paard vechten om een dode geit. Ik weet van de verlovingsrituelen, en dat bruid en bruidegom elkaar maar nauwelijks kennen voor ze in het huwelijk treden.
Ik weet van de obscure hasjverkopers in Balkh, en de heroïnehandel die het land in zijn greep houdt. Afghanistan schijnt meer dan vijfennegentig procent van de wereldhandel in heroïne te produceren, onder de neus van de Verenigde Staten die een oogje dichtknijpen om zo de werkelijke machthebbers, de drugshandelaren, te vriend proberen te houden.
Ik weet van de klerenmakers, de zwervers, de boekverkopers, de taxichauffeurs. En van de bombardementen, de schietpartijen en de aanslagen. Ik weet de namen van de onlangs in Kaboel doodgeschoten hulpverleners; waar ze vandaan kwamen; dat ze met gehandicapte kinderen werkten. Dat de Talibaan de moord, die door twee mannen op een motor werd gepleegd, opeisten als een daad ‘tegen het verspreiden van het Christendom’. Dat Afghanistan langzaam maar zeker leegloopt: gedesillusioneerde hulpverleners vertrekken huiswaarts, en de bevolking zelf vlucht over de grens naar vluchtkampen in Pakistan.

Nu pas heb ik er een idee van hoe complex de situatie is, en hoe onnozel het optimisme van afgezanten van de Verenigde Naties die door een muur van beveiliging van de bevolking gescheiden blijven. Maar ik weet ook dat een land dat eeuwenlang strijd heeft geleverd met achtereenvolgens de Britten, de Russen, Alexander de Grote, Djengis Khan, Perzische dynastieën en de Talibaan ook een andere kant kent: een van gastvrijheid, behulpzaamheid en vriendelijkheid. En daar ben ik dankbaar voor. Want dat lijkt het enige wat het land nu nog kan redden: haar hart. En het mijne. Want een geliefde in oorlogsgebied maakt de oorlog pas echt actueel.

There is no one with intelligence
in our town except that man over there
playing with the children.
He has keen, fiery insight
and vast dignity like the night sky
but he conceals it in child play.

- Rumi

Zie:
Afghan Mobile Mini Circus for Children (MMCC)

zondag 26 oktober 2008

Burası Türkiye: it’s Turkey

De film was bijna afgelopen toen de elektriciteit uitviel. Magali, mijn Franse huisgenootje, en haar Hongaarse vriend Kaszon stonden in de keuken in de pannen te roeren. Ze waren net thuisgekomen na een weekend Sofia, Bulgarije, en hadden spek en sterke drank mee teruggebracht. Nu moesten ze onder het schaarse licht van een waxinelichtje hun maaltje gaarkoken. Ik kon dankzij een volle batterij de laatste vijf minuten van Underground afkijken, en ben toen met een schaal waxinelichtjes naar m’n donkere kamer gegaan. Ik heb in principe nog drie uur de tijd voordat ook mijn laptop het begeeft. Gezien de vorige keren zal de stroomuitval niet langer dan een half uur duren, maar je weet het nooit. “Burası Türkiye, herșey mümkün" (het is Turkije, alles is mogelijk) zeggen de Turken zelf, en dat blijkt meer dan eens.

Kaas en köfte
Vanuit de woonkamer klinkt het getik van bestek op borden; de geur van versgebakken spek hangt in het huis. Aangezien moslims geen varken eten is er in Turkije geen spek te krijgen. Nu ik de geur ruik besef ik me hoezeer ik het mis. Maar ik heb m’n tanden al gepoetst, en Magali heeft vast meer meegebracht. Laatst nog zat de koelkast vol Franse kaas en wijn, die Kaszon tijdens zijn vakantie had geïmporteerd. Na alle zoutloze labne was de stinkende Camembert een godenspijs. De pasta met spek die ze zojuist hebben klaargemaakt moest het wel zonder kruiden doen, want door een lek in het dak vlak boven het gasfornuis waar ze naast stonden heb ik alles weg moeten gooien.

Alles op onze verdieping is stuk: de wasmachine, het toilet, de boiler. Maar in zekere zin geeft dat ons huisje ook wel een zekere charme.

Het heeft het hele weekend gegoten van de regen, en ons huisje driehoog heeft weer een van zijn vele gebreken getoond. De wasmachine is een wrak dat met stoelen moet worden ingebouwd voor we min of meer een was kunnen draaien. De houten kozijnen met dunne ruitjes laten alle kou en geluid door: vaak is het is alsof alles wijd openstaat. Het toilet spoelt niet goed door, en maakt vreemde hoge geluiden. En de boiler laat het minimaal een keer per week afweten. Vaak is een draai aan een paar willekeurige knoppen wel genoeg om hem weer aan de praat te krijgen, maar meer kunnen drie vrouwen ook niet doen.
Maar in zekere zin geeft dat alles de verdieping ook wel een zekere charme. Het is een hele comfortabele flat, met een geweldige entree, houten vloeren en deuren, een ruim balkon met prachtig uitzicht en een open keuken. En van al onze vrienden zitten we het meest centraal, wat betekent dat we elkaar meestal hier ontmoeten. Uitgaan in de stad begint bijna altijd hier thuis: we doen boodschappen, zetten muziek op, maken wraps met köfte of een pastaschotel klaar en drinken ondertussen een paar biertjes. Soms gaan we het huis niet eens uit.

Forse achterwerken
Dit weekend bedacht ik me wel erg veel tijd in mijn eigen vertrouwde buurtje door te brengen, en dus riep ik iedereen bijeen voor een willekeurige wandeltocht of 'Istanbul Safari' door de stad. We liepen door de sloppenwijken van Eyüp naar de heuvel waar de Franse dichter Pierelotti zijn gedichten schreef, en vanwaar je de bruggen van de Gouden Hoorn zien kunt: Galata, en Atatürk erachter. Het weer dreef ons en Turkse bedevaarders bijeen in de moskee: de mannen in de centrale hal, de vrouwen in een benauwd zaaltje waar het gebed door de luisprekers klonk.
Traditionele Turkse vrouwen doen me vaak aan vogeltjes denken: ze drommen verward bijeen, kirren in hoge stemmen de taal die ik me maar met moeite eigen kan maken en dragen allen een kleurige hoofddoek. Nu dringen zich een weg naar binnen, met mij ertussen, een witte sjaal om mijn hoofd en mijn felgekleurde sneakers in een plastic zak.
Vrouwen van alle leeftijden houden hun handen voor zich uit, alsof ze een grote kom vasthouden, en bukken zich een paar maal voorover op het tapijt. De forse achterwerken voor en naast me herinneren me eraan waarom ze ook weer apart moeten bidden. Een jongetje staat tegen zijn moeder aangedrukt; binnenkort zal hij hier niet meer binnen mogen.

Atatürk voerde een ingrijpend moderniseringsbeleid in Turkije. Maar nu worden internetsites als YouTube en Blogspot uit angst voor samenzwering geblokkeerd.

Gedirigeerde vooruitgang
Na het gebed pakten we een bus naar Topkapı, waar een oude stadsmuur naast de snelweg herrijst. Hier en daar wandelde een man tussen de brokstukken, de handen op de rug. Een zwerfhond had me opgemerkt en hinkte achter me aan; een lelijk knik in zijn rechter voorpoot. Behalve de muur leek de wijk niet zoveel te bieden te hebben, en we besloten op huis aan te gaan. De bus van Aksaray naar Taksim deed er erg lang over, want zoals altijd sta je in Istanbul in de file. Uiteindelijk stapten we uit op het lelijke Taksim plein, vanwaar Kemal Atatürk op zijn sokkel de vooruitgang dirigeert. Als hij het internet maar als een juist middel daarvoor kon aanprijzen, zou het heel wat sneller gaan. Youtube is lang geblokkeerd, en gisteren was blogspot aan de beurt. Mijn Duitse huisgenootje kan gelukkig haar verhalen voortzetten op een website die een verwijzing biedt, maar het is beangstigend hoe je plotseling zonder reden iets kan worden ontzegt. Als Turkije haar studenten maar eens werkelijk serieus zou nemen. Dan zou hier werkelijk alles mogelijk zijn.





~~~
Voor meer foto's van ons fameuze Electro-feest: klik. Voor meer foto's van onze 'Istanbul Safari' naar de Prinsessen-eilanden, klik.

zondag 24 augustus 2008

Voor het eerst in Istanboel

Voor het eerst in Istanboel! Wat een drukte, wat een hitte. Ik had meer kleur op straat verwacht, in de klederdracht en de gebouwen. De beroemde Hagya Sofya kleurt beige en terracotta en lijkt bedekt met een laag stof. Het is een vriendelijk gebouw, heel anders dan de protserige Blauwe Moskee aan de overkant met diens zes minaretten en goudgekopte koepels. s’Nachts gloeit ze gemoedelijk oranje: vanuit onze stapelbedden in de ‘rooftop dorm’ van het hostel in Sultanahmet hebben we er een prachtig uitzicht op.

We slijten de hete uren in een koele teagarden achter een begraafplaats. Met het vallen van de avond gaan we op zoek naar een eettentje waar bier wordt geschonken. Hoe verder we afdwalen van onze Haqya Sofya, hoe donkerder de achterommetjes. Een halfnaakte jongen met versleten jeans en gele laarzen schopt woest een voetbal voor zich uit. Een grijze kat likt haar jongen schoon tussen het afval.

Ineens is er een felverlichte straat en moeten we de zwart-witte obers van ons afslaan. ‘Just one look at menu! You can look please!’ zegt er een. Steffen wil hem geruststellen door op zijn verzoek in te gaan, maar maakt hem alleen maar wilder. ‘Beer for only three Turkish lyra! Hello!’ We houden hem aan zijn woord en nemen plaats. Shiskebab, gevulde aubergines en paprika's en halve liters Efes-bier. Csaba zit tegenover me en verschuilt zich weer achter z’n spiegelreflex. Hij kijkt op het schermpje en mompelt ‘beautiful’. Af en toe pak ik zijn camera en draai de rollen om.